Tegen de muur van de Vlaamse statie

Onderstaand artikel is nagenoeg letterlijk overgenomen uit Periodiek 13 van december 1988.
De auteur was de heer Jan van Nassau.Tegen de muur van de Vlaamse statie

(derde artikel over Roosendaalse liedteksten)

Iets waar ik niet op rekende, maar wel op hoopte, is dan toch gebeurd. Naar aanleiding van eerdere publicaties in dit periodiek (december 1987- nr. 11 en juni 1988- nr. 12) beginnen zo langzamehand de reacties los te komen. Laat ik ze in volgorde, overeenkomstig die van de vorige artikelen, afhandelen.

Het lied “In Roosendaal en daar woont enen goeien man” van de heer Braat, werd door mij in verband gebracht met enkele strofen die voorkomen in de artikelenreeks “Oons Taoltje” van C.J. Dekkers. Daarbij heb ik onvermeld gelaten dat in dit lied in elk geval ook een aantal plaatselijke politieke figuren bezongen worden. Namen als “Den uil” wijzen in die richting. Alleen, wie weet zich nog te herinneren welke “politici” welke bijnamen hadden. In het Journaal op Zondag van 31 augustus 1986 staat ook een liedje en dat heeft er beslist me te maken. Het werd gezongen door de moeder van Mevrouw Vermunt, dezelfde die ook het lied over de Molenstraat zong (” ‘t is ‘n ééle waks zee Jan Taks”). Uit de tekst van het lied, afgedrukt in het J.o.Z., zou men af kunnen leiden, dat de bijnaam “Den uil” gekoppeld moet worden aan een opponent van Arend Vos. De vraag is dan, aan welke opponent……..

Edde gij d’n uilekreet gehoord?
‘t Gejammer van de lange Piet.
Hij ligt te spartelen in de goot.
Z’n tobben helpt hem niet.
Vooruit, gij lelijkerd uit de raad
en wordt dan maar eens kwaad,
want Arend Vos die zit erin.
Een manneke naar onze zin.
 
 
Refrein:
 
 
Arend Vos h’eeget overwonnen.
Hiep, hiep, hoera.
Hiep, hiep, hoea.

(De webmasters verwijzen voor een nadere toelichting naar dit artikel).

Als aanvulling op het lied over de “Achterstraat” (“Alles kost ‘n dubbeltje”) volgt de versie, zoals mevrouw Koens – van de Weijgaert zich die herinnert:

Alles kost ‘n dubbeltje
behalve de jood zijn sukkeltje
maar rooie kool mee krenten
kosten maar zeven centen.
 
 
Trien, Trien, zotte Trien,
ge mot zo zuur nie kijken
ge mot zo zuur nie zien.
 
 
Alles kost vijf centen maar
bij van Loon de Biggelaar
geven ze daar geen goeie maat
ga dan maar naar Pietje Braat.
Geven ze daar geen goeie el
ga dan (maar) naar (Gabriël) Charbonel.
Wilde gaan trouwen
ga dan naar Merijn Vergouwen.

Een hele reeks reacties, allemaal afkomstig van de heer Piet Straven, volgde op het eerder opgenomen lied over de “Kaai” (“Ik denk zee Arejaan van Genk”). Om te beginnen noemt de heer Straver een gelijksoortig vers, verzonnen door Jan Broeren, over de mensen die vroeger op de “Fuis” (Vijfhuizenberg) woonden:

‘k denk zee Ariaan van Genk
da diën kater van Mieke Broere
op die katin van oons zit te loere
‘t is nie ze oons Mie, ‘t is wel zee oons Nel
‘t is ne kater zee Ariaan van de Water
‘t is un katin zee Jo van Gin
‘t is nun otter zee de Potter
‘t is de Kopere Ko zee meneer Liebau
Ze trekken aan de bel zee Jans Oliestel
Ze trappen op m’n hielen ze Frans Thielen
Da gif ne dons zee Jan Hellemons
‘k Epput in munne pens zee Toon Mens
‘k Ep knobels zee Kees Obels
Allemaal gekke woorden zee Pietje Goorden
Dat is de mode zee van Merode
Luste nog slaai zee Simon van Staaij
en nu basta zee Peer van Osta.
 
met als aanvulling:
 
Ze zijn nie goed wijs zee Merijn de Nijs
Daar gaat een meid en een jongen zee Arreaan van Dongen
Die gaan naar ‘t bos zee Vrouw Vos
Da doen ze zonder aarg, zee Jan van de Baarg
Ik heb nog tee zee Jans de Pree
Da’s kwaoie zee Mieke Aoie
Dons zee Toon Hellemons
Ik gaan mar naor huis zee Kee Muis
Ik naam ne sprong zee Guust de Jong
Het was bij mijn zee Merieke de Klein
‘t is ne loebus zee de Foebus.

Dat de heer Straver zich veel meer weet te herinneren blijkt o.a.uit de volgende versjes, welke ooit gezongen werden door Ciska van Zundert:

Tegen de muur, tegen de muur
van de Vlaamse statie
Scheet unne boer al in z’n broek
‘t was enkel spiekelaasie
 
 
Vogelenzang, Vogelenzang
musse zijn gin Vienke
Waar ne boer zunne kop dur stikt
daar kan ne beest uit drienke.

Vervolgens enkele versjes die volgens Straver gezongen en gerijmd werden door Arie Aaien:

Mieke van ‘t hoekske
die kreeg voor d’r broekske
Ze kreeg nun trap voor der gat
Ze was niet verlegen
Ze kon er wel tegen
Ze had er al meermaal op gehad
 
 
Daar heb je de duinen
Met zandige kruinen
Daar zit je zo rustig en stil
Je kunt er met je beiden
zo heerlijk vrijen
Je kunt er ook zoenen als je wil
Geen mens doet zich horen
Geen mens doet zich storen
er is niemand die daar op je vit
de zon is zo prachtig
de zon is zo prachtig
wanneer je in de broeinetels zit.
 
 
Ik ben al eens uit geweest met een andere vrouw
Dat kwam van het Juliana-feest
En dan kijken we ziet zo nauw
O hoe schoon hoe schoon
Waren de billen van Maria van Loon
Ze kon van alle talen klappen
Kwiep Kwap Kwiep Kwap
Zo ging d’r gat
O wat was ze mooi, o wat was ze schoon
Zoiets heb ik van m’n leven niet gezien
zo mooi zo schoon.
 
 
Ik wou wel voor ‘ne gulde
Da m’n haar eens krulde
Ik wou wel voor ‘ne pimpelton
Da’k eens op den emmer kon.
 
 
En een ouw wijf met een bobbel op d’r lijf
en een weekluis aan d’r hoempapapejee
hoempapapapa hoempapapejee
tralalalala.
 
 
De manne van Aaie
die kunne ut begaaie
mar toch zijn ‘t gin kwaaie
War z’ut van doen daar motte mar naar raaie
om de kost te verdiene zijn z’alles wèèrd
Want ze kunne werke as un pèèrd
Ze lusse gère ne pot bier
en ouwe van plezier
en zijn eel gauw
in’t versieren van een vrouw
Bijna gin mèns (weinig mense) die van ze houdt (*)
mar ze zijn zo eerlijk as goud
Mar wa de meeste wel wieste
Ze late der eige nie kieste
Ze zijn wel eens zat
mar moeie gin kat
en ebbe veul zin
en ouwe de moed erin
en dit is ‘t einde mar nie vor oons
want aanders krijge we de boons
da wiesse we allaank
oudoe en bedaank.
 
 
Laat ons nog eens zot zijn
Want morgen kunnen we kapot zijn
Ik wou wel vor ne pimpelton
Da’k us op den emmer kon
Ik wou wel vor ‘ne gulde
Da m’n aar us krulde.

(*) Straver noteert “Weinig mense” maar dat past niet bij de vorm “houdt”.

De heer Straver vervolgt zijn serie met een liedje dat, zoals hij erbij vemeldt, is opgemaakt door Cora Straver en Piet Straver en dat het eigenlijk geen pas gaf om het te zingen (“we kregen van ons vader flink op ons mieter daarvoor”):

Peer Klomp en Jaans Klep
Jaans Klep en Peer Klomp
Die kleppere zo haart mit d’r kloompe op de trap
Un stuk van durre kloomp
En un stuk van de trap
Klepperdeklepperdeklepklepklep enz.

Een ander “smeelliedje”, zoals de heer Straver de liedjes aanduidt die gemaakt en gezongen werden om te pesten, is van Ciska van Zundert:

Lotje is verzot op nun ijscoman
Oladiee oladio
Z’ister stappel verkikkert van
oladiee ladio
D’n eene ee platvoete en d’n aandere is gek
En d’n ijscoman heeft bobbels in z’nne nek
Lotje is verzot op nun ijscoman
Oladiee ladiooo.

Tenslotte nog iets over de variant op het Roosendaols Lieke met de beginregel “Kende gij ‘t Vrouwenhof”. De tekst blijkt geschreven te zijn door een goede bekende, nl. Nol Verkouteren. Hij deed dit b.g.v. een feestavond van de E.H.B.O. in het begin van de jaren vijftig. Later moeten er ook op dit lied weer varianten ontstaan zijn. Daarover een volgend keer. Intussen blijf ik erg benieuwd naar reacties. Bij tal van gelegenheden die zich in de loop van het jaar voordeden moeten er vroeger toch wel meer liedjes gezongen zijn die het produkt waren van plaatselijke “tekstschrijvers” en “componisten”. Bruiloften en partijen, de kermis, vastenavond en andere volksfeesten, bij elk evenement moeten er minstens varianten bestaan hebben op liedjes die ook elders populair waren.

Jan van Nassau